Ontstaan
De Grote Münsterlander behoort
tot de jongste voorstaande hondenrassen. Nochtans moet hij gezien worden als
een afstammeling van de Duitse Staande-Langhaarhonden. In nesten van deze
overwegend bruine honden kwamen in de 19e eeuw soms wit-zwarte puppy’s voor.
Nadat in 1908 de wit-zwarte honden uit de Duitse Staande-Langhaarclub
geweerd werden, waren er liefhebbers die met deze honden verder kweekten en zo
ontstond in 1919 het “Verein für die Reinzucht der grossen schwarz–weissen Münsterländer Vorsteh-hunde“. Op 29 juni 1922 werd te Munster de Grote Münsterlander
definitief als ras erkend.
De naam Grote Münsterlander heeft hij te danken aan het feit dat de meeste van deze honden te
vinden waren in Noordwest- Duitsland, meer bepaald in het Westfaalse Munsterland. Men trof ze daar vooral aan op boerderijen waar zij gehouden
werden als waak– en jachthond. De bijnaam “ Grote” slaat niet op zijn afmetingen maar is er gekomen omdat er in deze regio al een kleine
voorstaande jachthond was, namelijk de Kleine Münsterlander, beter gekend als
de Heidewachtel. Van oorsprong hebben deze beide rassen echter weinig met
elkaar gemeen.
Jachteigenschappen
Door zijn niet aflatende wil tot zoeken is de Grote Münsterlander een uitstekende verlorenzoeker en een
uitgesproken spoorzoeker. Deze eigenschappen, gecombineerd met zijn
intelligentie, zijn meer dan gemiddelde passie, en het werk met een diepe neus,
bezorgden hem de reputatie van "hond na het schot". Deze
eigenschappen zijn altijd kenmerkend geweest voor het ras.
Door jarenlang gericht kweken is het voorstaan vast verankerd in zijn natuurlijke aanleg en kan hij
zeker zijn mannetje staan in het veldwerk.
Bij het zweetwerk (speurwerk op aangeschoten zwart of rood wild) laat hij zien dat hij
ook dit best aankan. Bewijs daarvan is het groot aantal Grote Münsterlanders
dat slaagt in de proeven waarbij kunstmatig bloedsporen worden aangelegd, die
pas na 24 of 40 uur worden uitgewerkt.
In het water is de Grote Münsterlander in zijn element. Door zijn beschermende vacht schrikt hij er niet
voor terug om zelfs in het koudste water onvermoeibaar de dekking af te
speuren, op zoek naar waterwild. Prachtig om zien is hoe sommigen in staat zijn
om het zwemspoor van een eend over het water uit te werken.
Deze eigenschappen,
gecombineerd met zijn krachtige bouw en zijn groot uithoudingsvermogen, maken
van de Grote Münsterlander een veelzijdige jachthond die in om het even welk
biotoop zijn baas niet zal teleurstellen.
Exterieur
De standaard verlangt een
sierlijke middenslag hond met een schofthoogte van 58 tot 63 cm voor de teven
en van 60 tot 65 cm voor de reuen.
Het haar is lang, sluik en
licht golvend met een goede ondervacht. De kleur is wit en zwart in al zijn
variaties. Zo heeft men de zwart-witte zonder schimmel, wit met zwarte platen
en schimmel (van helschimmel tot donkerschimmel), wit met zwarte platen en
punten of wit met volledige schimmel zonder platen (forelschimmel).
De kop is zwart, eventueel
met een bles of een snep, adellijk en gestrekt, met een droge vang, de ogen
zijn heel donker, met goed aanliggende oogleden; de goed behaarde oren zijn
hoog aangezet; de rug is recht en stevig met licht afvallende croupe. Verder
dient hij een brede borst te hebben met voldoende borstdiepte en goed gespierde
lendenen; voor– en achterhand moeten de juiste hoeking hebben. De hoog
aangezette staart is bij voorkeur goed bevederd, evenals de achterkant van de
voor- en achterbenen.
Karakter
Als huishond is de Grote
Münsterlander zeer aanhankelijk en gehecht aan zijn gezin en zijn territorium.
Hij is zeker geen allemansvriend, hij is waaks van aard, zonder daarom
agressief te zijn. Desgevallend zal hij zijn roedel beschermen, al zal hij door
zijn intelligentie vlug beseffen wie al dan niet kwade bedoelingen heeft.
Daar hij nogal dominant van aard
kan zijn zal men bij zijn opvoeding zeer consequent te werk moeten gaan. Met
een goed opgevoede Grote Münsterlander kan men naast de jacht ook praktisch
alle andere hondensporten beoefenen.
Van nature uit is de Grote
Münsterlander een gezonde hond die weinig last heeft van erfelijke ziekten en
degeneratieverschijnselen. Mits een goede verzorging en veel beweging zal hij
dan ook jarenlang een prettige huisgenoot zijn.